!

Hoofdstuk 1: Onafwendbaar

Ik kom er rond voor uit. Het was niet mijn beste dag vandaag. Helemaal niet mijn beste.
En toch, nu ik erover nadenk... er is de hele dag al iets voelbaar geweest. Het heeft te maken met deze plek en met het moment waarop mijn leven zich nu bevindt. Een geluksmoment: er zit iets van melancholie en een belofte in de atmosfeer.
Aan het eind van deze middag hangt het zomaar in de lucht, als ik met een glas wijn voor het tuinhuis ga zitten, daar waar de  zon, voordat hij ondergaat, nog om de hoek komt kijken. Ineens is het daar en alles spreekt er van.
En ik? Ik onderga het, wat anders? Ik onderga het helemaal. Met al mijn zintuigen ervaar ik het. Nippend van mijn wijn vraag ik me af hoe alles zo gekomen is, en hoe het verder zal gaan. En waarom verleden en toekomst elkaar zo, op dit moment, ontmoeten.

 

‘Mam, maham!'
Ik hoor het wel, maar ik kies ervoor niet meteen te reageren. Misschien, als ik het negeer, houdt het vanzelf op. Ik keer mijn gezicht weer naar de zon, want dit moment moet ik vasthouden.
‘Maham.'
Tevergeefs.
‘Schreeuw niet zo, wat is er?'
‘Mijn witte broek, waar is-ie, ik móét hem vanavond aan.'
‘Daar ben je dan lekker laat mee, schat. Als hij niet bij het strijkgoed ligt heb je pech.'
‘Nee, dat ga je niet menen, hè? Dat is een ramp. Ik ga naar Bombastic vanavond, ik moet die broek aan mam echt, ik heb niks anders.'
‘Wel waar, Em, je hebt er minstens tien, minstens!'
Weg moment. Zuchtend sta ik op en zet mijn glas op de bank. Dit gaat niet werken, weet ik uit ervaring.
In de bijkeuken staat mijn prachtige vijftienjarige dochter de mand met strijkgoed te ruïneren.
‘O Em, doe dat nou niet, laat mij eens even.'
In één oogopslag zie ik dat de geliefde broek er niet tussen zit.
‘Sorry schat, het zal toch een andere broek moeten worden, hij zit nog bij de vuile was.'
‘Nou lekker hoor, bedankt, dan kan ik net zo goed niet gaan. Ik bel Lisa wel dat ik niet kom.'
Stampvoetend loopt ze de trap op. Ik roep haar nog na, ‘Doe niet zo dramatisch, trek iets anders aan.' Maar haar slaapkamerdeur knalt dicht.
Ik moet lachen, ik kan er niks aan doen. Gelukkig ziet ze me niet, anders zou ze nog furieuzer zijn.

 

Mijn kind. Een gevoelig meisje, en een stoere meid. Een blaaskaak en een onzekere puber. Een dramakip en een doorzetter. Ik loop de trap op en kijk bij haar om het hoekje. Ze zit te msn-en, zie ik. Driftig tikt ze op de toetsen en kijkt naar het scherm. Een secretaresse zou het aantal aanslagen per minuut niet verbeteren, gok ik.
‘Laat kijken wat er allemaal in je kast ligt,' zeg ik opgewekt.
‘Kijk gerust, er zit niks bij,' zegt mijn schatje, met haar rug naar me toe. Ik leg drie broeken naast elkaar op haar bed. Alle drie niet ouder dan drie maanden, ‘Zo, daar ligt samen voor minstens een paar honderd euro, me dunkt dat daar iets bij zit wat nog niet hopeloos ouderwets is geworden de afgelopen weken.'
‘Je snapt het niet hè, we móéten in het wit, dat is voorschrift, anders kom je er niet eens in.'
‘Waarom zeg je dat dan niet eerder? Ik heb al zo vaak gezegd: denk na over de dag die komen gaat: wat moet ik doen, wat doe ik aan, wat neem ik mee? Je bereidt je helemaal niet voor, Em, dan krijg je dit soort dingen.'
Ze zwijgt. Dit liedje kent ze.
Ze staat op en loopt de trap af. Ik ga haar achterna en zeg: ‘Laten we even kijken hoe die broek eruit ziet, misschien kun je hem nog een keer aan.' Een grote grasvlek ontsiert de achterkant; dat wordt dus niks. Ik schud mijn hoofd. ‘Gevallen,' zegt ze schouderophalend.
‘Wanneer moet je op z'n laatst weg?'

‘Om acht uur.'
Ik kijk op de keukenklok. Tien voor half vijf, het kan net.
‘Ik was hem en stop hem in de droger, daarna strijk jij. Het lukt nog net, denk ik, maar echt Em, dit is de laatste keer. Wie z'n gat brandt moet op de blaren zitten,' zeg ik. ‘Of op de grasvlekken.'
Vindt ze niet grappig.
Wel kust ze me haastig op mijn wang en roept, ‘Bedankt, mam.'
Terwijl ik wat was van buiten haal en opvouw, denk ik na over mijn dochter. Kinderen zijn een zegen en een vloek, zegt men wel eens. Dat is mij wat te sterk uitgedrukt, maar de tegenstelling zit er zeker in. Je leven is niet meer onbevangen als zo'n nieuw mensje ter wereld komt. Mark is altijd erg bezorgd, wil precies weten wat de kinderen gaan doen en met wie en hoe laat ze thuis komen. Ik ben wat gemakkelijker, maar dat zijn de meeste moeders wel, denk ik.

 

De middag is voorbij, ik ga nog even zitten. Koken kan straks. Mark zal zo wel komen, het is al na vijven. Hij is laat, schiet het door me heen, meestal is hij er wel rond deze tijd.
Ik slaak een diepe zucht en zak buiten neer op de bank. Ik kijk tevreden om me heen. Wat heerlijk is het hier toch. We zijn er via, via aangekomen, een aantal jaren geleden. Een twee onder één kap, met aardig wat achterstallig onderhoud, dus betaalbaar. Op een mooi rustig plekje.
Mijn ogen gaan langs het huis. Gebuffeld heeft Mark. Hij heeft alles zelf opgeknapt. Avond aan avond de oude kleren aan en verder maar weer. Op een gegeven moment had hij meer oude kleren dan nette. Hij ging stug door, klaagde nooit.
Een vlam van liefde voel ik. Ik houd van hem. We kennen elkaar na bijna twintig jaar door en door. Hij is mijn grote liefde, absoluut. Alle jongens vóór hem waren, proeflapjes, het was broddelwerk. Met Mark is het echte borduurwerk begonnen.
Zo zit ik wat te genieten met mijn ogen dicht, mijn gezicht naar de zon gekeerd. Heerlijk is dit. Het geluk ligt voor het grijpen/oprapen, mijmer ik. Je pakt het en je eigent het je toe. En dan glijdt het weer als zand tussen je vingers weg. Momentopnames.

 

Uiteindelijk sta ik op en loop naar binnen, en passant kijk ik op de klok van de magnetron: kwart voor zes! Hij is nu toch wel heel laat.
Even de piepers schillen, de boontjes afhalen, braadworstjes in de pan doen - daar zijn ze gek op, allemaal. Ik loop naar de wasmachine. De broek is schoon. Nu snel in de droger. Acht uur, denk ik bij mezelf, dat halen we wel.

 

De bel.
Vreemd, gaat het door me heen. Iedereen loopt hier eigenlijk altijd achterom. Het moet wel een onbekende zijn. O, geen Jehova's alsjeblieft, dat is wel het laatste waar ik zin in heb nu, met het eten al op het vuur.

Meteen schaam ik me voor mijn afkeer.
Ik kijk om het hoekje de hal in.
Direct staan al mijn zintuigen op scherp. (…) Ik neem alles heel duidelijk waar, glashelder, als in slow motion: een man en een vrouw voor de deur, twee paar ogen die op mij gericht zijn. De avondzon in de hal, die alles in een gouden gloed zet. Zelfs de fijne geur van schoon wasgoed: ik registreer het allemaal.
Ik zie, als van een afstand, mijn voeten over de plavuizen vloer schuiven. Stap, stap, nog één en ik ben bij de deur. Ik zie mijn hand naar de deurkruk gaan en ik wens uit alle macht dat ik niet open hoef te doen. Dat ik gewoon de keuken weer in kan lopen, de piepers kan afgieten, tafeldekken. Ik wil gewoon verder met mijn dag, net als anders.

 

Mijn keel is kurkdroog, en ik slik moeizaam.
Dan drukt mijn hand de deurkruk omlaag. En ik weet dat mijn leven nooit meer ‘net als anders’ zal zijn.