Mijn vader mocht altijd al graag verhalen vertellen over vroeger. Maar nu in zijn laatste levensjaren borrelen er voortdurend verhalen op. Bij mij ontstaat de behoefte ze op te schrijven zodat de herinnering niet verloren gaat.

Mijn opa was een bijzondere man. Mijn vader is dat ook, maar op een andere manier. De twee hadden een moeizame verhouding om verschillende redenen. De belangrijkste was: ambitie. Mijn vader roept de laatste tijd dat hij teveel ambitie heeft gehad. Als dat waar is, komt het voor een deel omdat mijn opa te weinig ambitie had. Ook dat gegeven kent zoals veel in het leven een duidelijke oorzaak. Het verhaal wat nu volgt illustreert heel goed dat mijn opa’s karakter er ook debet aan was. Zijn motto was vooral: doe maar gewoon wat je hand vindt te doen.

transport fiets 1934 oorlog opa

Oorlog zien aankomen.

Mijn opa was een van mensen die de oorlog al op een kilometer afstand zag aankomen. Hij had een florerende kruidenierszaak midden in de kleine stad Wolvega. In het laatst van de jaren dertig begon hij belangrijke levensmiddelen te hamsteren. Achter de zaak was een grote opslagruimte. Daar sloeg hij honderden kilo’s meel, koffie, thee en suiker op. Evenals liters sterke drank. Hoewel hij zelf geen druppel dronk kon hij zich levendig voorstellen dat het goede handel zou worden als het schaars werd.

Midden in de oorlog raakte mijn opa zijn fiets kwijt omdat die, ook in Friesland, gevorderd werden door de Duitsers. De fiets was zijn enige vervoersmiddel, hij kon eigenlijk niet zonder. De onrechtvaardigheid stak hem nog meer dan het gemis. Dus toen hij op een goede dag vernam hij dat de fietsen werden opgeslagen in de Prinsentuin in Leeuwarden, hoefde hij er niet lang over na te denken: die fiets moest terug en wel zo rap mogelijk. De volgende dag stapte hij op de trein naar de provinciehoofdstad. Hij liep de grote hal binnen en was onder de indruk. Het stond er bomvol met honderden fietsen.

Gelukkig had hij zijn overtuiging als standvastige karaktereigenschap, dit hadden vader en zoon wel gemeen, hij moest en zou zijn fiets vinden. Uren kostte het, pad na pad, fiets na fiets. En ineens zag hij hem! Hij trok de fiets eruit en liep ermee aan de hand zo naar buiten toe, zonder dat iemand hem een strobreed in weg legde. Hij fietste naar het station en pakte de trein terug. In die tijd was het vrij normaal om gewoon de fiets mee te nemen in de trein.

Voldaan en tevreden ging hij zitten en leunde achterover. Hij groette de man tegenover hem. De grote ster die op z’n borst prijkte verklaarde zijn terughoudendheid. Hij had een klein tasje stevig vast op zijn schoot. Mijn opa kon niet heen om de troosteloosheid die zijn medereiziger uitstraalde. Na een paar zwijgende minuten vroeg hij waar de man vandaan kwam. ‘Amsterdam’, was het antwoord. De tweede vraag kreeg een bedremmelde reactie en maakte de hopeloosheid meer dan duidelijk. De tocht was ondernomen om voedingsmiddelen te vergaren voor de hongerlijdende familie.

‘Is dat alles wat u heeft kunnen krijgen?’ vroeg mijn opa terwijl hij dacht aan zijn volle pakhuis.

De man knikte. ‘Maar ik neem niemand iets kwalijk, iedereen moet voor zichzelf zorgen in deze harde tijd.’

Een vol magazijn.

Alle kilo’s schoten op mijn opa’s netvlies voorbij. Terwijl hij ook de onmogelijkheid zag van directe hulpverlening. Al zou hij de man mee naar huis nemen en hem een tas vol kruidenierswaren geven. De vraag was maar of hij er veilig mee thuis zou komen en dan nog; een druppel op een gloeiende plaat.

Razendsnel bedacht hij een oplossing die veel meer hout zou snijden, maar even razendsnel naderde de trein Wolvega.

Hij stond op, vroeg de man naar zijn naam en adres en gaf hem een stevige hand. ‘Ik beloof niks, maar ik ga proberen u te helpen.’

Eenmaal thuis verliet de belofte hem niet. Hij dacht aan zijn vrouw en zijn drie kinderen. De eerste verantwoording. Maar tot nu toe was zijn omzet alleen maar gestegen en zijn voorraad nog lang niet op.

Als hij echter iets significants wilde betekenen moest hij de hulp van zijn schoonvader inroepen. Pake bevoer nog steeds de Zuiderzee, al was met gevaar voor het schip en de bemanning. Verschillende keren ontploften bommen vlak naast het schip. Eens in de twee weken deed hij Amsterdam aan, wist mijn opa. Ze overlegden samen, Pake had veel contacten in hoofdstad en hij wist wel een manier om de levensmiddelen op het juiste adres te krijgen.

Zo gezegd zo gedaan. Vele vrachten brachten ze. Mijn opa had tot zijn volle tevredenheid een goed deel van zijn rijkdom afgestaan aan mensen die het echt nodig hadden.

tamminga utrecht

Niet over gesproken.

Mijn vader, geboren aan het begin van de oorlog, maakte dit niet bewust mee. Hij kende de verhalen dus niet. Zijn oorlog verliep dankzij de voorzienigheid van mijn opa veel minder desastreus dan bij miljoenen anderen. Maar er werd door mijn opa en oma niet over gesproken, ook later niet.

Het moet ergens begin jaren tachtig zijn geweest, mijn ouders hadden inmiddels verschillende zaken op Hoog Catharijne in Utrecht. Toen gebeurde er iets bijzonders dat je vaker niet meemaakt dan wel.

Mijn moeder had het speerdruk op een zaterdag voor de Pasen. Ze belde naar huis, naar mijn oudste broer en beval hem direct de bus te pakken naar Utrecht om te komen helpen. Hij was pas veertien, ze vonden hem eigenlijk te jong, maar nood breekt wet, dacht mijn moeder en Freddy vond het prachtig.

Midden op de middag, midden in de hectiek komt een kleine oude man voor de toonbank staan. Hij kijkt omhoog en schudt licht zijn hoofd. Freddy vraagt of hij hem kan helpen. De man wijst met zijn vinger naar de lichtbak waar onze achternaam prijkt, ‘Tamminga… Tamminga? Is dat soms familie van Tamminga uit Wolvega?’

‘Jaha,’ zegt mijn broer enthousiast, ‘Dat is mijn opa!’

De man schiet vol en zegt geëmotioneerd, ‘Jouw opa heeft mijn leven gered.’

Nu komt mijn moeder er ook bijstaan en ondanks de drukte doet de man zijn verhaal. Ze staan met hun oren te klapperen. Onze opa? Die opa van weinig woorden, die in zijn latere leven zoveel tegenslagen kreeg te verwerken? Had die opa in de oorlog levens gered?

De man kon er niet over ophouden. Jarenlang hadden veel Joodse families iedere twee weken levensmiddelen ontvangen. Er was een heel netwerk ontstaan tot aan Utrecht toe.

Die avond belde Freddy met opa.

Hij vertelde het verhaal in geuren en kleuren en eindigde met de zin, ‘Jouw opa heeft mijn leven gered.’

Onze opa reageerde met slechts vijf woorden die hem tekenden ten voeten uit, ‘Nou, dat is wat overdreven.’

De zoon leerde zijn vader in een klap beter kennen dan in de jaren daarvoor. De kleinzoon leerde een levensles die hij de van zijn levensdagen niet meer zou vergeten.

Is dat de reden dat de oude Joodse man op de zaterdag voor de Pasen voor de toonbank van mijn ouders terecht kwam?

Wie zal het zeggen.

Zelf heb ik geleerd dat linkerhanden en rechterhanden ongezien samenwerken. Dat goedheid nooit tevergeefs is en dat geloof bergen verzetten kan.